De lijkwade van Turijn

27 maart 2018

De lijkwade van Turijn, foto Commons Wikimedia

Inleiding
De lijkwade van Turijn is een intrigerend stuk textiel. Er is al jaren discussie over de vraag of het de lijkwade van Jezus is of een vervalsing. Onderzoeken leverden resultaten die niet met elkaar te rijmen waren en ik wil proberen hierin meer helderheid te brengen.
De volgende onderwerpen komen aan bod.
Eerst een inleiding. Dan: wat is er aan de lijkwade ontdekt? Hoe oud is de lijkwade? Klopt wat gevonden is met de tekst van de bijbel? Hoe is de afbeelding ontstaan? Welke weg heeft de lijkwade afgelegd? En ten slotte welke conclusies kunnen we trekken?

De lijkwade van Turijn is een linnen doek van 4,40 m lang en 1,10 m breed. Het meest opvallend zijn de sporen van een brand, maar als je goed kijkt zie je daartussen de afbeelding van een man van 1,75 m lang, van voren en van achteren. Volgens de overlevering zou het de lijkwade zijn, waarin het lichaam van Jezus na zijn dood gewikkeld werd. Dan zou de doek dus twintig eeuwen oud moeten zijn. Veel mensen konden zich dat niet voorstellen en meenden dat het een vervalsing moest zijn. Van een afstand van 1 of 2 meter zie je wonden van een kruisiging, maar er zijn natuurlijk meer mensen gekruisigd dan Jezus. Kruisiging was een Romeinse straf en werd in het hele Romeinse Rijk toegepast, dus als de doek echt is, zou het ook best een andere persoon dan Jezus kunnen zijn. Er was enkel de overlevering en de bewezen geschiedenis van de doek vanaf ongeveer 1350. Hij was toen in het bezit van een Franse graaf, die hem bewaarde in Lirey zo’n honderd kilometer ten zuidoosten van Parijs in het departement Aube, waarvan Troyes de hoofdstad is.

Daar in de buurt in de Seine is dit pelgrimsinsigne gevonden. Je ziet daarop de lijkwade afgebeeld. Het bewijst dat er pelgrims kwamen om de lijkwade te vereren.
Honderd jaar later is de doek verkocht aan de hertog van Savoie, die hem liet bewaren in een kapel in de hoofdstad Chambéry in een zilveren kist. Bij een brand in die kapel in 1532 werd de doek beschadigd. Er vielen gaten in en er ontstonden schroeiplekken. Twee jaar later hebben zusters van de Arme Clarissen lappen over de gaten gestikt en er aan de achterkant een linnen voering tegenaan genaaid.
In Turijn bevindt hij zich vanaf 1578. Piemont, waarvan Turijn de hoofdstad was, hoorde bij Savoie. Het verhaal gaat, dat Carolus Borromeüs
de lijkwade wilde bezoeken, maar dat de tocht over de Alpen te zwaar zou zijn voor hem, waarop de hertog de lijkwade liet overbrengen van
Chambéry naar Turijn.
De lappen die na de brand over de gaten waren gestikt, werden in 2002 verwijderd, evenals de voering aan de achterzijde.

Waarnemingen
Wat is er aan de lijkwade ontdekt?

De doek kwam in het nieuws in 1898, toen hij werd gefotografeerd. Bij het ontwikkelen van de negatieven ontstond een beeld, dat veel duidelijker was dan de lijkwade zelf. De uitstekende lichaamsdelen waren op de negatieven licht en de dieper liggende donker, wat je juist van een positief verwacht. Er was een verloop van licht naar donker naarmate de delen dieper lagen.
Dat maakte het beeld als het ware driedimensionaal en heel natuurlijk.
Met contrastverhoging en in ultraviolet kon later de kwaliteit van de afbeelding nog verbeterd worden.
Met contrastverhoging en in ultraviolet kon later de kwaliteit van de afbeelding nog verbeterd worden.

De doek is bij het hoofd omgeslagen geweest, zodat voor- en achterkant van het lichaam worden weergegeven.
Dat moeten we ons voorstellen zoals op dit schilderij uit 1660 van Jean-Gaspard Baldoino uit Nice. Boven is hij uitgevouwen; onder is hij om het lijk geslagen.

Jean-Gaspard Baldoino,
schilderij uit 1660.

In het weefsel zijn stuifmeelkorrels ontdekt van 58 verschillende planten, voor
een deel voorkomend in Frankrijk en Italië, maar 28 ervan groeien in het Nabije Oosten, onder andere in Turkije, en 14 hiervan in Palestina. Hiervan waren er drie van planten die alleen in Palestina en omgeving bloeien:
Gundelia Tournefortii, een distel; Cistus Creticus van de zonneroosfamilie; en
Zygophyllum Dumosum, een woestijnplant, waarvoor ik de naam boonkapper ben tegengekomen; alle drie bloeien ze in maart of april.

(Foto van de planten: Wikimedia Commons)
Geel:
Cistus creticus
Blauw:
Gundelia tournefortii
Rood:
Zygophyllum dumosum

Hier zijn de verspreidingsgebieden aangegeven en te zien is, dat ze alleen in de omgeving van Jeruzalem alle drie voorkomen. Dat betekent dat de doek in ieder geval in Palestina is geweest.

Er werden op de ogen afdrukken van twee muntjes gevonden, die in 2001 aan beeldextractie met een computer onderworpen werden, in spiegelbeeld uiteraard (Fontanille, 2001, geciteerd door Oommen, 2014). Links boven zie je een oog en met enige fantasie iets wat erop ligt. Dat is vergroot en daarna zijn de kleuren omgekeerd; dat gaf al een beter beeld. Daarna is het patroon van het visgraatweefsel van de doek van de afbeelding afgetrokken, waardoor dat niet helemaal verdwijnt, maar minder overheersend wordt. Enkele letters kwamen te voorschijnen, in het midden een staf. Die letters en staf werden vergeleken met munten in een muntenboek. De gevonden letters B OY KAI APOC komen uit TIBEPIOY KAICAPOC, “van keizer Tiberius”, niet met de Griekse Σ, maar met de C die later ook in het Cyrillisch schrift van de Slavische talen is terechtgekomen; de B is weer wel Grieks en niet de Slavische Б.

The information on Pilate coins is from David Hendin’sbook, ‘Guide to BiblicalCoins’. The three main types are shown.
Pilate was the procurator of Judea from 26 AD to 36 AD. Howeverthe coins he issued belonged to the period AD 29-31 only

Hier de bladzijde uit het muntenboek. De munt kan worden geïdentificeerd als een lepton van Pontius Pilatus, geslagen in 30 of 31, waarschijnlijk is het die uit 31. De munt op het andere oog was minder duidelijk, maar moet ook een lepton uit 30 of 31 zijn.

De muntjes bedekten de oogleden van de dode. Het praktische nut om zo de ogen van de dode gesloten te houden was bij de Joden bekend: er zijn schedels gevonden waar de muntjes ingevallen waren.

Het bloed
Op de doek is met zekerheid bloed aangetoond. Dat bloed is uit de wonden gelopen in de lengterichting van het lichaam, zoals gebeurt wanneer het aan het kruis hangt, en die bloedsporen zijn bij contact overgebracht op de lijkwade. Maar ook in de richting loodrecht daarop zijn bloedsporen uit het lichaam gekomen na horizontaal leggen van de dode. Een deel van het bloed was zogenaamd post-mortembloed met scheiding in bloed en serum, dat een
waterige ring om het bloed vormt. Dit „water en bloed” staat ook in het evangelie van Johannes genoemd. Onder de bloedvlekken ontbreekt de afbeelding, zodat die na het bloed op de lijkwade moet zijn gekomen.

Met een speciale techniek zijn fijne zandkorrels in het linnen gevonden op de plaats van de voetzool, op de plaats van de linkerknie en op de plaats van de neus. Met het blote oog zijn ze niet te zien. Dat wijst er al op, dat de lijkwade authentiek is. Want waarom zou een vervalser zand inbrengen dat je toch niet kunt zien?
Het lijkt dus waarschijnlijk, dat de doek in de tijd van Jezus’ dood in Palestina is geweest.

Ouderdom
Er is natuurlijk sterk op aangedrongen een bepaling van de ouderdom uit te
voeren. Dat is gebeurd in 1988. Een monster werd van een hoek van de lijkwade afgeknipt, in drieën gedeeld en onderzocht met de C14-methode door laboratoria in Oxford, Zürich en Tucson, Arizona. C14 is een radioactieve isotoop van koolstof, die in de atmosfeer continu wordt gevormd door wisselwerking van neutronen met stikstof (niet zuurstof, zoals op de afbeelding staat), en die neutronen zijn weer gevormd door de invallende kosmische straling. De C14 reageert chemisch met zuurstof tot kooldioxide, die net als ander kooldioxide wordt opgenomen door levende planten, zoals vlas.
Zodra de plant dood is, houdt de opname van koolstof op en blijft alleen het radioactieve verval van C14 doorgaan. Dat vervalt met een halveringstijd van ruim 5000 jaren, wat betekent dat na 5000 jaar nog maar de helft van de koolstof-14 over is. De hoeveelheid C14 in verhouding tot de stabiele koolstofisotopen C12 en C13 wordt dus steeds kleiner en is daardoor
een maat voor de ouderdom van dood organisch materiaal, zoals linnen.
De laboratoria kwamen alle drie tot een datering in de Middeleeuwen; het vlas waarvan het linnen gemaakt is, moest geoogst zijn tussen 1260 en 1390. Men was daar voor 95% zeker van.

Miniatuur uit het Pray-manuscript 1192-1195: vergelijk de gaten in de uitvergroting bij B met die op de lijkwade ernaast.

Dit was voor veel mensen die hoopten op een uitkomst in de 1e eeuw een grote teleurstelling, maar er bleef twijfel, want er bestond al een afbeelding van de lijkwade in een miniatuur van 1192-1195. Dat is het Pray-manuscript. Het is genoemd naar een Hongaarse Jezuïet, György Pray, die het in 1770 ontdekte. Als de doek tussen 1260 en 1390 geweven is, kan er onmogelijk in 1195 al een afbeelding van bestaan.
Op die miniatuur is zelfs het typische visgraatpatroon van het weefsel te zien. Vier gaten die een hoofdletter L vormen zijn zowel op die afbeelding als op de lijkwade zelf te zien. Ze zijn vermoedelijk ontstaan door brandende pek of wierook.

Verder klopt het op de afbeelding ontbreken van de duimen, die inklappen
zodra de middelste polszenuw geraakt wordt door de spijker.

Ook om andere redenen werd getwijfeld aan de uitkomst van de ouderdomsbepaling met de C14-methode; als ontledingsproduct van lignine, een bestanddeel van planten, wordt vanilline gevonden, maar minder naarmate die planten ouder zijn. Die vanilline is wel gevonden in de
aangestikte voering en in de monsters die voor de C14-bepaling gebruikt zijn, maar nauwelijks op de oorspronkelijke lijkwade. Die zou dus veel ouder zijn dan de C14-datering aangaf. Twee spectroscopische methoden en meting van de elasticiteit van de vezels leidden bij vergelijking met goed gedateerde weefsels tot vroegere dateringen, weliswaar met heel ruime marges,
maar waarbinnen wel ook de 1e eeuw valt.

Ouderdomsbepalingen

  • Koolstof-14-methode: 620-750 jaar
  • Bijna geen vanilline aangetoond: > 1300 jaar
  • Ramanspectroscopie: 1700-2700 jaar
  • Infraroodspectroscopie (FTIR): (2350-3150 jaar)
    na correctie voor brand: 1900-2700 jaar
  • Elasticiteit: 1200-2000 jaar

Foutieve uitkomsten van de C14-datering komen overigens vaker voor.
Verder is in het linnen hier en daar katoen meegeweven, vermoedelijk ter versteviging. Dat katoen is van een Egyptische soort, die in de Middeleeuwen in Europa niet meer bekend was.

Hoe kan er zo’n grote afwijking in de koolstof-14- bepaling zijn opgetreden? Kan er sprake zijn geweest van verontreiniging? Het monster was genomen bij een hoek, waar de doek veelvuldig is aangepakt, wanneer hij tentoongesteld werd. Dat gebeurde in Turijn heel vaak en hij is ook enkele keren op tournee gegaan langs verschillende Europese steden. Maar om de datering van het linnen te verschuiven van de 1e eeuw naar rond 1300 zou er meer vet dan linnen moeten zijn en dat lijkt uitgesloten.

Verklaringen van foutieve uitkomst

  • Vetzuren van ongewassen handen?
  • Bacteriekolonies?
  • Opneming rook bij brand 1532?
  • Neutronen door aardbeving?
  • Monsters genomen van reparatieplaats!

Naast vetzuren, afkomstig van ongewassen handen, kan er sprake zijn geweest van een bioplastische laag van levende bacteriën, die een voortgaande stofwisseling hebben. Maar het is onvoorstelbaar dat de aanwezigheid daarvan zo’n grote afwijking veroorzaakt kan hebben.
En met een microscoop zou men die bacteriën hebben moeten zien, net zoals men wel rode bloedlichaampjes heeft waargenomen, die ongeveer even groot zijn.
Een andere hypothese gaat uit van verstoring door de brand in 1532, waarbij koolstof uit de rook in het linnen opgenomen zou zijn. Dat laatste heeft men in het laboratorium geprobeerd te imiteren, maar dat is niet gelukt.
Bij een zware aardbeving zouden neutronen zijn vrijgekomen. Die zouden dan met stikstof op de lijkwade gereageerd moeten hebben tot koolstof, maar behalve in het bloed is geen stikstof op de doek gevonden.
De vreemde uitkomst van de C14-bepaling wordt nu toegeschreven aan de reparaties van de doek na de brand in de zestiende eeuw door de Arme Clarissen, die de lapjes over de gaten en de voering aan de achterkant hebben aangebracht. Dat herstel door de zusters is heel zorgvuldig gebeurd door het invlechten van de lapjes en vrijwel onzichtbaar. In het genomen
monster zat dus 1e-eeuws en 16e-eeuws materiaal, zodat het niet representatief was voor de hele lijkwade.

Vergelijkingen met de bijbeltekst
Is de lijkwade authentiek? Laten we enkele waarnemingen eens vergelijken met de bijbeltekst.
In 2008 is de lijkwade digitaal gefotografeerd met hoge dichtheid, waarbij 12 miljard beeldpunten, elk van een paar honderdsten van een millimeter, werden vastgelegd. De hierbij en de eerder gevonden kenmerken leiden tot een lijst, die vergeleken kan worden met de beschrijving in de evangeliën:

  1. Het lijk is ingewikkeld in een lijkwade. Meestal werd het op het kruis gelaten als voedsel voor de gieren.
  2. Er zijn wonden op het voorhoofd en op het achterhoofd, die afkomstig zijn van doornen. Een kroon van doornen werd op het hoofd van Jezus gedrukt bij wijze van spotternij, omdat hij gezegd zou hebben, dat hij de koning van de Joden was. Dit moet welhaast uniek zijn.
  3. Uit wonden op de schouders blijkt, dat op weg naar de executieplaats de veroordeelde niet het hele kruis, maar alleen de dwarsbalk droeg. Op afbeeldingen draagt Jezus meestal het hele kruis, maar misschien was het praktischer om de verticale balk vast in de bodem te laten staan. Het dragen van het kruis of de kruisbalk door de veroordeelde was lang niet overal en altijd de gewoonte. Mogelijk werden de armen van de man uitgestrekt vastgebonden aan de kruisbalk met touwen, waardoor hij zich bij een val niet kon opvangen met de armen. Bij de man van de lijkwade was overigens de neus gebroken. Dit kan het gevolg zijn van een val tijdens de kruisweg.
  4. Uit de bloedplekken op de lijkwade blijkt dat voor de kruisiging spijkers werden gebruikt, die door het polsgewricht werden geslagen en door het midden van beide voeten. Het alternatief was bevestiging aan het kruis met touwen. De gekruisigde Jezus werd overigens altijd afgebeeld met de spijkers door de handpalmen, maar dat kan niet kloppen
    met de werkelijkheid, omdat de hand onder het gewicht van het lichaam uitscheurt.
    Opmerkelijk is dat de heilige Birgitta van Zweden in de 14e eeuw visioenen had van de kruisiging met de spijkers in de polsen.
  5. Er is een borstwond als gevolg van een speerstoot links tussen de vijfde en zesde rib. Hieruit is post-mortembloed gelopen (ringen van bloed in water). Meestal werden de benen gebroken om de gekruisigde snel te laten sterven (hij kan zich dan niet meer opdrukken en stikt). In dit geval is dat niet gebeurd, maar heeft een soldaat een speer in zijn borst gestoken, omdat hij al gestorven was.
  6. De graflegging had plaats in haast; ritueel wassen en oliën werden uitgesteld, wat verklaard kan worden door de naderende sabbath, die begint op vrijdagavond met het invallen van de duisternis. Er kan wel een menigte bloemen en bladeren om het lichaam gelegd zijn: een mengsel van mirre-hars en aloë-bladeren wordt genoemd, 100 pond; in
    een andere bijbelvertaling staat 30 kg.
  7. Er zijn geen sporen van rottingsproducten gevonden, wat zou wijzen op een kort contact tussen lijk en lijkwade, minder dan 30 tot 40 uur.

Bij elk van deze zeven punten, die overeenkomen met de beschrijving in de evangeliën, is geschat hoe vaak in de geschiedenis zo iets zal zijn voorgekomen en uit berekening volgt dan, dat de kans dat er een tweede gekruisigde is geweest, voor wie alle zeven punten gelden, gelijk is aan 1 op 200.000.000.000. Het aantal gekruisigden in de hele geschiedenis en in de hele wereld wordt geschat op een paar honderdduizend tot een paar miljoen, stel 1 miljoen, zodat er een kans van 1 op 200000 is, dat het lichaam van een ander dan Jezus erin heeft gelegen. Ofwel de kans dat de lijkwade het lichaam van Jezus omhuld heeft is 99,9995%. Normaal vinden we 95% zekerheid al genoeg, dus een kans van 1 op 20 dat het toch anders is, maar hier is de kans dat het een andere gekruisigde is geweest 10000 maal kleiner dan 1 op 20. Zo’n grote zekerheid is uitzonderlijk. We moeten dus concluderen, dat er overtuigend bewijs is voor de stelling, dat de lijkwade van Turijn de lijkwade van Jezus is.

Romeinse zweep en bloedsporen van zweepslagen op de rug.

En dan hebben we andere overeenstemmingen nog niet eens meegeteld. Zo zijn er sporen van geseling met een Romeinse zweep. Op de rug zijn negentig afdrukken van haltertjes met bloedsporen, volgens anderen wel 120. Als er drie haltertjes aan een stok zaten, waren dit 30 tot 40 slagen. Zelfs de richting vanwaaruit de slagen werden toegediend is te zien. De man die aan de ene
kant stond moet een stuk kleiner zijn geweest dan die aan de andere kant.

Jezus hing naakt aan het kruis, want de soldaten verdeelden zijn kleren. Toch wordt hij altijd afgebeeld met een lendendoek om. Mijn grootvader was beeldhouwer van heiligenbeelden, maar hij zal nooit een kruisbeeld van een naakte Jezus hebben gehouwen.
Des te opvallender is het dat Jezus in het Pray-manuscript naakt is weergegeven. In de Middeleeuwen was dat uitzonderlijk.

In de evangelies worden verschillende doeken genoemd in verband met het lijk van Jezus. Voor de aanduiding van de doeken heb ik teruggegrepen op de oorspronkelijke Griekse woorden en dan blijkt dat volgens drie evangelisten het lichaam van Jezus in het graf werd gelegd, gewikkeld in een lijkwade (σινδών); alleen Johannes heeft het over ὀθόνια, linnen windsels, meervoud.

Doeken

Voor de grafleggingNa de opstanding
Matteüsσινδών (= lijkwade)
Markusσινδών
Lukasσινδώνὀθόνια
Johannesὀθόνια (= linnen windsels)ὀθόνια
σουδάριον (= zweetdoek)

Na de verrijzenis waren volgens Johannes in het graf achtergebleven: de linnen windsels (ὀθόνια) en een opgerolde zweetdoek (σουδάριον), “die op zijn hoofd geweest was”.
Verondersteld wordt dat de zweetdoek is gebruikt zolang Jezus’ lichaam nog aan het kruis hing, want eerst moest nog toestemming gevraagd worden om het lichaam van het kruis af te halen. Geen van de evangelisten heeft het bij de inspectie van het graf na de opstanding nog over een “σινδών” (lijkwade). Een van de onderzoekers concludeerde daarom, dat de lijkwade niet in het graf was achtergebleven en wellicht door Jezus was meegenomen.
Maar het kan ook zijn, dat met ὀθόνια toch de lijkwade σινδών bedoeld werd. Dat verklaart waarom volgens Lukas Jezus het graf inging in een σινδών en na de verrijzenis ὀθόνια achterliet. De zweetdoek σουδάριον zou van het hoofd verwijderd zijn vóórdat het lijk in de lijkwade werd gelegd.
In Oviedo in Spanje wordt een zweetdoek bewaard, met bloed van dezelfde bloedgroep, die hetzelfde hoofd bedekt heeft in verticale positie, toen Jezus’ lichaam nog aan het kruis hing.
Dit zou de zweetdoek zijn die in het graf was achtergebleven. Hij bevat plantenpollen uit Noord-Afrika en is volgens overlevering in 614 van Jeruzalem naar Alexandrië gegaan, vandaar via de Spaanse havenstad Cartagena naar Toledo en vandaar naar Oviedo in Asturië gebracht in 711, misschien niet toevallig hetzelfde jaar waarin de mohammedanen de Straat
van Gibraltar overstaken en begonnen Spanje te veroveren. Maar in het noordwestelijke deel van Spanje zijn de mohammedanen nooit gekomen, anders was hij misschien niet bewaard gebleven.
Zowel in de lijkwade als in de zweetdoek is aragoniet aangetoond, dat is een minder vaak voorkomende vorm van kalk met weinig strontium, die karakteristiek is voor de Calvarieberg.

Beeldvorming
Hoe is nu die afbeelding op de lijkwade ontstaan? Er zijn drie mogelijkheden. De afbeelding is aangebracht door een vervalser in de middeleeuwen of eerder. Zo niet, dan is hij authentiek, maar is er nog de keuze tussen een ontstaan door straling op het moment van de verrijzenis of door chemische reacties in de periode tussen de graflegging en de opstanding.
– Er zijn verschillende manieren geopperd waarop een middeleeuwse vervalser te werk had kunnen gaan, variërend van een penseel tot een strijkijzer en tot lichtgevoelig materiaal, maar geen van alle leidt tot het gewenste resultaat. Het is interessanter om nog eens de argumenten op een rij te zetten, waarom een vervalser de lijkwade niet gemaakt kan hebben en waarom het de lijkwade van Jezus moet zijn.
Er zijn geen verfstoffen of pigmenten gevonden, behalve meekrap. Bij de productie van het linnen werden daarmee tintverschillen verdoezeld, die waren ontstaan door het niet gelijkmatig bleken. Van de rode kleurstof uit de meekrapwortel, alizarine, zijn sporen gevonden, maar verspreid over de hele lijkwade, dus niet alleen ter plaatse van de afbeelding. Doordat de meeste alizarine in de loop van de tijd verdwenen is, zijn nu weer lichte en donkere banden in het weefsel te zien.

  • Het beeld is richtingneutraal (geen penseelstreken).
  • Je ziet pas goed wat je schildert van een afstand van twee meter. Dat is onhandig.
  • Om zo fijn te kunnen schilderen moet het kwastje uit slechts één haar bestaan.
  • Door het linnen is een Egyptische soort katoen gesponnen, die in de Middeleeuwen in Europa niet bekend was, omdat de handel met het Nabije Oosten was ingestort na de komst van de islam.
  • Het bloed moet zijn opgebracht vóór de afbeelding, voor een vervalser niet logisch.
  • De afbeelding is in negatief. Waarom zou een vervalser dát doen?
  • De spijkers zijn niet door de handen, maar door de polsen geslagen, anders dan altijd wordt afgebeeld.
  • De duimen zijn ingeklapt door het spijkeren tegen de polszenuw.
  • Muntjes van Pilatus zijn geïdentificeerd.
  • Er zijn onzichtbare straatgruiskorreltjes gevonden bij voet, knie en neus. Waarom zou een vervalser dat doen, als toch niemand ze kan zien?
  • Dat gruis was calciumcarbonaat van de aragonietstructuur, zoals voorkomt op de Calvarieberg, terwijl de calcietstructuur veel algemener is.
  • Geen lendendoek. Op de dubbelafbeelding van Jean-Gaspard Baldoino is duidelijk zichtbaar, dat hij Jezus zelfs in de lijkwade nog een lendendoek om laat houden. Een vervalser zou ongetwijfeld aangeknoopt hebben bij de gewoonte om de gestorven Jezus af te beelden met een lendendoek.

We kunnen dus met zekerheid zeggen, dat Jezus’ lichaam in de lijkwade heeft gelegen. Maar wetenschappers willen graag ook weten hoe dan die afbeelding op de doek is gekomen. Daar zijn ze nog niet uit. Geen enkele theorie kan tot nu toe een volledige verklaring geven.

Vorming van het beeld door straling?

  • Korte puls ultraviolette straling uitgezonden door het lichaam.
  • Uitzending van elektronen door een elektrisch veld van seismische oorsprong of vanuit het lichaam (corona-ontlading, bolbliksem).
  • Neutronen uit het gesteente losgeslagen door de aardbeving.
  • Omzetting van materie in energie volgens de wet van Einstein: E = m c2

De meeste geleerden dachten en velen denken dat nog steeds, dat een of andere soort straling op het moment van de verrijzenis een rol gespeeld heeft. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat ze hun fantasie de vrije loop lieten, want de ene hypothese was nog wilder dan de andere. Een verrijzenis was nogal uniek en kon best eens gepaard zijn gegaan met een
uitzonderlijk natuurverschijnsel. De bijbel noemt al een aardbeving.
Ze begonnen stukken linnen te onderwerpen aan allerlei straling van verschillende tijdsduur.
En ja hoor, bij die proeven bleek dat een laserpuls van ultraviolette straling met een duur van niet meer dan enkele milliseconden een zelfde oppervlakkige verkleuring gaf als op de lijkwade. Door de hitte van deze stralingspuls werd water aan het linnen onttrokken en ontstond de bruine kleur van karamel. Maar om de hele afbeelding op deze manier te maken
zouden 14000 lasers nodig zijn, die vanuit het lichaam een puls van deze duur zouden moeten geven. En door de hitte zouden ook de bloedklodders in het afbeeldingsgebied veranderd moeten zijn en dat is niet het geval. Ook de cellulose is niet veranderd, wat betekent dat die niet boven 150 C verhit is (Heimburger 2012). Dus het kleed is niet op hoge temperatuur geweest, en een ultraviolette stralingspuls kan het beeld niet gevormd hebben.
Anderen denken aan een corona-ontlading, iets als een bolbliksem. Experimenten met linnen onder corona-ontlading reproduceerden de kleur in de buitenste 0,2 μm, precies de dikte van de verkleuring op de lijkwade. Het lichaam zou dan wel in zeer korte tijd een grote hoeveelheid elektronen hebben uitgezonden. Hoe dit kan is dan een volgende vraag. In ieder
geval zou dit met verhitting gepaard gaan, en die heeft niet plaatsgehad, want dat zou de toestand van de bloedklodders veranderd hebben.
Straling gaat bovendien met de snelheid van het licht en je zou verwachten dat als de straling van het hele lichaam uit zou zijn gegaan, het linnen gelijkmatiger gekleurd zou zijn, waardoor je geen afbeelding van een mens ziet, maar alleen een silhouet.
Een andere hypothese was dat de aardbeving waarvan in het evangelie sprake is tot de uitstoot van neutronen uit het gesteente had geleid. Er was zelfs berekend dat die aardbeving een kracht van 8,2 op de schaal van Richter gehad zou moeten hebben. Die neutronen zouden dan gereageerd moeten hebben met stikstof in de lijkwade en de afbeelding hebben veroorzaakt. De tegenwerping is dat een dergelijk effect dan toch vaker gevonden zou moeten
zijn bij andere zware aardbevingen. Bovendien is op de lijkwade alleen stikstof gevonden in het bloed. En het ging om zo’n grote hoeveelheid neutronen, dat iedereen in Jeruzalem de stralingsdood gestorven zou zijn.
Bij een dematerialisatie van het lichaam zou massa worden omgezet in energie volgens de formule van Einstein: E = mc². Die vrijkomende energie zou dan op een of andere manier de afbeelding hebben veroorzaakt.
Bij kernreacties wordt een heel klein deel van de massa m omgezet in een ontzettende hoeveelheid energie E, omdat de factor c² zo groot is. Maar er is berekend, dat door de volledige omzetting van het lichaam van Jezus een hoeveelheid energie gelijk aan 200-300 Mton TNT zou vrijkomen. De krachtigste waterstofbom ooit, in 1961 op Nova Zembla, had een energie van slechts 50 Mton TNT. Het is duidelijk dat bij 200 Mton een groot deel van het
Heilig Land verdampt zou zijn.
In de bijbel zijn meer doden beschreven, die weer levend zijn geworden: Lazarus, die gewoon in levenden lijve uit het graf kwam lopen, de zoon van de weduwe van Naïn, het dochtertje van de Romeinse hoofdman, maar nergens wordt gesproken van verschijnselen als grote hoeveelheden energie die vrijkwamen. Dus noodzakelijk is dat niet.
Bij Jezus is wel nog iets meer aan de hand: het verdwijnen uit onze zichtbare wereld van drie dimensies naar de vierde dimensie. Net zoals je in een tweedimensionaal vlak een hindernis kunt passeren door een klein sprongetje in de derde dimensie, zou je in drie dimensies een afgesloten ruimte kunnen binnengaan via een klein uitstapje in de vierde dimensie. Alleen kunnen wij ons dat moeilijk voorstellen, omdat we maar zintuigen hebben voor drie
dimensies. Die vierde dimensie proef ik een beetje in psalm 139, vers 5: „Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij.” Die hogere dimensie is overal heel dichtbij, net als de derde dimensie overal raakt aan de tweede.
We hoeven niet aan te nemen, dat Jezus al direct naar de vierde dimensie is verdwenen, want Hij kon na zijn opstanding zonder problemen het graf uitlopen net als Lazarus, want de steen was weggerold, en hij bedekte daarna zijn naaktheid met kleren van de tuinman. Daardoor herkenden de vrouwen hem niet direct, toen ze hem aanspraken.
Voor deze gebeurtenissen hoeft Jezus niet naar de vierde dimensie te verdwijnen. Bij latere verschijningen is dat wel het geval. Jezus is enkele malen verschenen en verdwenen: onder andere twee keer in de afgesloten zaal waar de apostelen bijeen waren. Dat gebeurde bijna ongemerkt, dus veel energie kan daar niet mee gepaard gegaan zijn.
Dus noch het weer levend worden van het lijk, noch het verdwijnen van het lichaam uit onze driedimensionale wereld hoeft met veel energie gebeurd te zijn.
En dan is er een regel, die zegt dat als voor iets een eenvoudige verklaring is, je geen ingewikkelde verklaringen moet zoeken. Dus gaan we niet proberen te verklaren waarom die enorme hoeveelheden energie niet zijn vrijgekomen, maar kijken we eerst naar een andere oorzaak dan straling voor het ontstaan van de afbeelding op de lijkwade.

Chemisch proces

  • Door direct contact als van bladeren in een herbarium;
  • Uitgewasemde ammoniakdamp (al in 1902);
  • Maillard-reacties (2002).

Dan komen we bij andere wetenschappers, die denken aan chemische reacties als verklaring voor het ontstaan van de afbeelding. Wat er aan chemische reacties is voorgesteld is niet veel.
Een soort contactafdruk als in een herbarium kan niet kloppen voor dieper liggende delen van het lichaam. Maar al in 1902 (Vignon) werd aan ammoniak als reagens gedacht. Een variatie daarop zijn reacties, waaraan de naam van de scheikundige Maillard is gekoppeld (Rogers, 2002).
Voorstanders van chemische reacties als verklaring menen, dat de verkleuring niet direct met de verrijzenis te maken heeft, maar is ontstaan door gassen, die al daarvóór, in de tijd tussen overlijden en verrijzenis, uit het lichaam kwamen, zich verplaatsten naar het linnen en daar reageerden. In tegenstelling tot straling gaat die verplaatsing langzaam. Ze gaat gepaard met concentratieverschillen en daardoor ontstaat de afwisseling van gekleurde en ongekleurde delen van het linnenoppervlak.
Enkele uren na de dood komen uit mond en neus ammoniakgas en vluchtige aminen. En inderdaad is de afbeelding bij mond en neus het donkerst. Baard en snor springen eruit.
Bij zware inspanning (en daarvan zal zeker sprake zijn geweest) worden eiwitten in spierweefsel verbrand en dan gaat ook het zweet ammoniak en aminen bevatten en afgeven.
Over het hele lichaam kunnen dus vluchtige stikstofverbindingen uitgewasemd zijn.
Die worden gevangen door het linnen, maar uitsluitend aan het oppervlak, vooral aan het binnenoppervlak, maar toch ook enigszins aan het buitenoppervlak. Een deel van die verbindingen moet dus door het linnen heen zijn gegaan en pas aan het buitenoppervlak gereageerd hebben. Hoe is dat te verklaren?
Zoals hier te zien is, zit de geelbruine kleur van de afbeelding niet binnenin het linnen, maar alleen aan het oppervlak, op de buitenste vezeltjes van de linnendraden, en bij uitvergroting blijkt: alleen op de buitenomtrek van die vezeltjes. Het binnenste van de vezels bestaat uit cellulose, die niet veranderd is, maar aan de oppervlakte van de vezels zitten suikerachtige verbindingen, voor een deel afkomstig van stijfsel, en die stoffen reageren
gemakkelijker dan cellulose.
Overigens kan de kleuring ongedaan gemaakt worden door sterke
reductiemiddelen. Het linnen wordt daardoor weer volmaakt wit. Dat
betekent, dat de kleur niet het gevolg is van verschroeiing bij hoge
temperatuur; die is onomkeerbaar.
Waarom is de verkleuring beperkt tot een heel dun oppervlaktelaagje? Dat komt door de behandeling van het linnen na de productie. Het linnen is toen waarschijnlijk gewassen in water met zeepkruid (een wortelextract), waarna het aan de lucht is gedroogd. Het water verdampt aan de beide oppervlakken en het water in het binnenste van het weefsel vult het verdampte water aan door zich naar de oppervlakte te verplaatsen, met alle stoffen die daarin
zitten. Daar gaat de waterverdamping door totdat het linnen droog is. In het water opgeloste stoffen blijven op de plaats van de verdamping achter. Vergelijk het met een natte plek in textiel; die laat waar het drogen het snelst gaat, een kring achter. Die kring wordt gevormd uit de stoffen, die zich in het water bevonden en die zich met het water naar de rand van de vlek
verplaatst hadden. Precies zo concentreren de in het water aanwezige stoffen zich bij het drogen op de beide oppervlakken van de linnen doek.
Die achtergebleven stoffen zijn vooral suikerachtige, zoals stijfsel, en restanten van het zeepkruid; de cellulose van de vezels is op haar plaats gebleven. Juist met die suikerachtige stoffen kunnen nu ammoniak en aminen uit het lijk reageren. Dat kan dus aan binnen- en buitenoppervlak gebeuren, maar niet binnenin het weefsel, waar deze suikerachtige stoffen niet meer zitten. Dit kan verklaren waarom alleen aan het oppervlak verkleuring wordt gevonden, maar niet binnenin.
De kleur van dit broodje is een product van Maillardreacties. Maillardreacties treden op bij het bakken van brood, maar ook bij allerlei andere processen zoals het braden van vlees, het branden van koffiebonen en zelfs bij het brouwen van donker bier. Zij geven stoffen met bruine kleuren en allerlei geuren. (Stikstofverbindingen als aminozuren en suikerachtige stoffen zijn allebei in het deeg aanwezig en bij verhitting reageren ze met elkaar. Ook zuurstof uit de lucht doet mee; vandaar dat vooral de korst bruin wordt.)
Net als bij deze bereidingen is bij de lijkwade de eerste reactie die tussen
enerzijds suikerachtige stoffen, ook stijfsel, die zich alleen op de
oppervlakken van de doek bevinden, en anderzijds gasvormige stikstofverbindingen, in dit geval aminen uit het lijk. Die komen met name uit de uitstekende delen van het lichaam, die de kortste afstand tot de lijkwade hebben of ermee in aanraking zijn. De eerste reactie is een koppelingsreactie, waarbij de aminen uit de damp worden gevangen door de suikerachtige
vaste stoffen. Het product van die eerste reactie is vast en kan niet van plaats veranderen. Het heeft nog geen kleur. De volgreacties, dat kunnen er wel zes of acht na elkaar zijn, geven uiteindelijk de kleur. Er zijn honderden producten van Maillardreacties, elk met hun eigen geur en kleur.
Om die reacties snel te laten verlopen wordt de temperatuur verhoogd. Brood wordt gebakken in een oven. Bij lage temperaturen verlopen de reacties ook, maar veel langzamer; het kan zijn dat de kleur pas jaren later zijn uiteindelijke intensiteit bereikt. Stel dat het bakken, het bruin worden, bij 165 C een uur duurt.
Dan is er een vuistregel die zegt, dat bij elke 10 lagere temperatuur een reactie tweemaal zo langzaam gaat. Dan zou bij 25 C (dus 14 keer 10 lager) dezelfde bruining bereikt zijn na 214 uren, dat zijn ruim 16000 uren ofwel twee jaar. Dus dat zou bij de lijkwade best kunnen.
De afbeelding van de muntjes is hiermee nog niet verklaard. Misschien zat er zweet op.
Na 36 tot 72 uren komen er vloeibare ontledingsproducten op het oppervlak van een lijk: aminen met namen als putrescine en cadaverine, die net zo goed met de suikerachtige stoffen kunnen reageren, maar die als vloeistof door de zwaartekracht verplaatst worden. Dat zou op heel andere plaatsen verkleuring geven en de afbeelding verstoren. Dat dat niet is gebeurd leidt tot de conclusie, dat het lijk na 36 tot 72 uren waarschijnlijk niet meer in de lijkwade lag.

Reconstructie van de lotgevallen van de lijkwade
Bij het spinnen is met het linnen wat katoen meegesponnen ter versteviging.
Bij het weven is op de scheringdraden een stijfselpasta aangebracht voor de smering.
De geweven doek is in warm water gewassen, waarbij het meeste stijfsel is uitgespoeld, en vervolgens geverfd met meekrap.
Twee hoeken van de doek zijn asymmetrisch afgeknipt. Mogelijk was het een priesterkleed met blauwe koorden en kwasten vanaf de hoeken, dat onherkenbaar gemaakt moest worden.
Bij de graflegging zijn er bloedvlekken op gekomen.
In het graf is de afbeelding van het lichaam op de lijkwade ontstaan.
Tijdens opslag zijn er watervlekken op gekomen.
Door het hanteren en bij het tentoonstellen kwamen vuil en vet op de hoeken en randen.
Er kwamen gaatjes in door brandende wierook of pek, die van een toorts viel. Deze 4 gaatjes in het patroon van een hoofdletter L komen 4 maal voor en moeten dus zijn ingebrand toen de lijkwade was opgevouwen.
Bij de brand in 1532 ontstonden gaten door gesmolten metaal, schroeiplekken en kleine watervlekken.
Nonnen stopten de gaten in 1534 en brachten een linnen achterkantbedekking aan.
Bij verder hanteren en tentoonstellen kwam er meer vuil op.

Op deze kaart staan de plaatsen, waar de lijkwade bewaard is, aangegeven: Jeruzalem, Edessa, Constantinopel, Lirey, Chambéry en Turijn.

Routereconstructie
De geschiedenis van de lijkwade moet ongeveer verlopen zijn
volgens dit schema:
33 Het verhaal gaat dat koning Abgar V van Edessa Jezus gevraagd had naar hem toe te komen om hem te genezen, maar dat zijn brief aankwam toen Jezus al gestorven en verrezen was. Een leerling, Taddeüs, zou daarop met de lijkwade naar Edessa zijn gegaan en de koning genas. Edessa is het tegenwoordige Urfa in Turkije, dicht bij de grens met Syrië.
In 55 is de lijkwade verstopt wegens het aantreden van een christenvijandige troonopvolger in Edessa.
In 525 werd de doek bij een overstroming in een stadspoort ontdekt in opgevouwen toestand, zodat alleen het gezicht te zien was.
In 544 belegerde de Perzische kroonprins Edessa. Hij werd weerstaan dankzij de kracht van een doek met een afbeelding van Jezus. Dat moet de lijkwade zijn geweest.
In 639 kwam Edessa onder mohammedaanse heerschappij.
In 944 werd de doek naar Constantinopel gebracht, naar gezegd wordt in ruil voor 200 mohammedaanse gevangenen.
In 1204 tijdens de 4e kruistocht is hij geroofd door kruisvaarder Otto de la Roche.
Rond 1350 kwam hij in Lirey in de openbaarheid door een achterachterkleindochter van Otto.
In 1453 is hij verkocht aan de hertog van Savooie en verplaatst naar de hoofdstad Chambéry.
In 1578 verhuisde de lijkwade naar Turijn.
In 1983 is ze door de erfgenamen van Umberto II van Savoie, de laatste Italiaanse koning, overgedragen aan de Heilige Stoel.
Let even op het jaartal 944, toen de doek met veel vertoon in processie Constantinopel werd binnengebracht.
Want in 945 gaf de Byzantijnse keizer in Constantinopel een munt uit waarop Christus is afgebeeld. In tegenstelling tot op eerdere munten lijkt Christus hier sterk op de afbeelding op de lijkwade. Met name wat een haarlok lijkt te zijn midden op het voorhoofd is het bloedspoor in de vorm van een omgekeerde 3, uiteraard in spiegelbeeld. Het bloedspoor op de foto is wit, omdat het een negatief is.

Betekenis van de lijkwade in onze tijd
Wat kunnen we concluderen uit de onderzoekingen aan de lijkwade? De doek is eeuwenlang bewaard, maar er is dikwijls aan getwijfeld dat het de lijkwade van Jezus was. Kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders hebben dit soms ronduit ontkend, zoals de bisschop van Troyes in 1390 in een brief aan paus Clemens VII, de tegenpaus, die in Avignon zetelde. Zelfs werd beweerd dat de maker van de afbeelding bekend was. Vermoedelijk had een schilder op
verzoek een kopie geschilderd en is zo dat verhaal in omloop gekomen. De paus ging er overigens niet op in en keurde de verering van de lijkwade uitdrukkelijk goed. Met de wetenschap van nu moeten we die paus gelijk geven, want geconcludeerd moet worden dat de lijkwade authentiek is. Door de ontwikkeling van de natuurwetenschappen kon pas in deze
tijd de echtheid van de lijkwade worden bewezen.
De uitkomsten van het onderzoek zijn een nieuw en sterk argument waarom het bestaan van Jezus als historische figuur niet ontkend kan worden. Juist nu het christendom in Europa het moeilijk heeft, brengt de lijkwade brutaalweg de gekruisigde Jezus voor het voetlicht. Het is of ze ons eraan wil herinneren dat Hij niet voor niets als martelaar is gestorven, en daarna verrezen. Hij is echt dood geweest. Onderzoekers hebben gevonden, dat lijkstijfheid is opgetreden. Zijn dood is niet alleen meer een kwestie van geloof, maar is althans in mijn ogen een wetenschappelijk bewezen feit. Van Jezus’ verrijzenis kun je dat niet zeggen, want hetzelfde effect zou bereikt zijn, als het lijk op Paasmorgen zou zijn verdonkeremaand. Maar wel is waarschijnlijk gemaakt, dat het lichaam zich 72 uur na de dood niet meer in de lijkwade bevond, want als dat wel het geval was geweest, zouden vloeibare aminen de afbeelding op de doek hebben verknoeid.
De bijbelverhalen berusten dus op waarheid, afgezien van kleine verschillen tussen de vier evangelies.
De confrontatie met de lijkwade laat zien hoe ontzettend Jezus geleden heeft. Het was werkelijk een zeer pijnlijke, afschuwelijke dood. Dat is heel precies beschreven door de bekende anesthesioloog Bob Smalhout. Het zien van het gehavende lichaam op de lijkwade kan iemand tot geloof brengen, net zoals Thomas pas geloofde bij het zien van Jezus’ wonden. De lijkwade kan dienst doen als een voorwerp van verering en meditatie, dat geldt ook voor afbeeldingen van de lijkwade. Bij het opzetten van dit verhaal werd ik keer op keer getroffen door de opoffering, die eruit spreekt. Ik realiseerde me dat Jezus echt voor mij is gestorven. Hij bad om deze kelk aan Hem voorbij te laten gaan, want Hij wist wat Hem te wachten stond. Maar toch heeft Hij de gifbeker tot de bodem leeggedronken. Wat een liefde zit hierachter.
Van veel heiligen worden botten en andere stoffelijke overblijfselen als relikwieën bewaard.
Van Jezus kon dat niet, omdat hij met zijn lichaam uit onze drie dimensies is gestapt. Wel waren er attributen: het kruishout, opgespoord door keizerin Helena in 325, een lanspunt, spijkers, de zweetdoek.
Ook de lijkwade kan als attribuut worden bijgeschreven, maar dat niet alleen: er zitten ook bloedresten op, echte stoffelijke overblijfselen van Jezus’ lichaam. Zelfs de bloedgroep ervan heeft men kunnen vaststellen: AB, een bloedgroep die onder Joden veel voorkomt. Hetzelfde bloed zit op de zweetdoek in Oviedo.
In de koran: soera 4, vers 157 staat: Zij (t.w. de Joden) zeggen: “Wij hebben de Messias, Jezus, zoon van Maria, de boodschapper van Allah gedood”, – maar zij hebben hem niet
gedood, en zij hebben hem niet gekruisigd, en verderop in hetzelfde vers staat nog een keer:
zij hebben hem vast en zeker niet gedood.
Op grond van dit vers beweren de mohammedanen, dat Jezus niet aan het kruis is gestorven
en dat de christenen hun Schrift hebben vervalst. Nu is bewezen, dat Jezus wél aan het kruis gestorven is. Dus niet de bijbel is vervalst, maar de koran heeft al die eeuwen onwaarheid verkondigd. Christenen kunnen hier veel meer gebruik van maken door uit te dragen dat de bijbel waar is en de koran niet. Zij kunnen mohammedanen hiermee confronteren en Jezus
blijde boodschap stellen tegenover Mohammeds boodschap van strijd, onderwerping en moord, gericht tegen andersdenkenden.
De waarheid van de lijkwade en de onwaarheid van de koran zullen voor mohammedanen moeilijk te verteren zijn, want de koran vervloekt degenen die delen van de koran verwerpen.
Ik denk dat niet toevallig in deze tijd de leugen van de koran aan het licht komt. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen heeft deze conclusie mogelijk gemaakt, gebaseerd op de christelijke overtuiging, dat de wereld kenbaar is. De boodschap van de lijkwade kan gelezen worden als een afwijzing van de islam en een appèl aan mohammedanen om zich van de islam los te maken en zich tot Christus te keren. Het is te hopen, dat zij de valsheid van de islam gaan inzien en besluiten hem te verlaten. Tot slot nog een citaat van:
Fr. Christopher P. Kelley, anglicaans priester en theoloog in Carlsbad, Californië: “De islam
ontkent nog steeds de werkelijkheid van het kruis. Wetenschappers die zijn grootgebracht in de islam, zijn verbijsterd door de verifieerbare feiten die voortkomen uit de lijkwade. Zij zien de fouten van de koran.”
Jezus ontmaskert Mohammed:
“But Islam still denies the reality of the Cross. Scientists raised in Islam are stunned by the verifiable facts arising from the Shroud. They see the errors of the Qu’ran.”


Herman F. Boon, scheikundige


Terug naar de pagina Artikelen en boeken